15/224-LM

VERZOEKSCHRIFT TOT EN MEMORIE VAN TUSSENKOMST

Aan de Heren Voorzitters en Dames en Heren in het Grondwettelijk Hof

VOOR :      Volledige familienaam en voornaam, geboortedatum en plaats, beroep en officiële woonplaats (zelf in te vullen).

Wenst zich overeenkomstig artikel 87 § 2 van de Bijzondere Wet van 6 januari 1989 op het

Grondwettelijk Hof tussen te komen en zich als partij toe te voegen aan de procedure bij het

Grondwettelijk Hof gekend onder:

– Rolnummer 6274.

– Dit betreft het verzoekschrift tot vernietiging neergelegd bij het Grondwettelijk Hof op 26 oktober 2015 en uitgaande van:

  1. Mevrouw Hilde Timmermans, werkneemster, wonende te 3202 Rillaar, Diestsesteenweg 201, geboren op 12 november 1963;
  2. De heer Chris Todts, ambtenaar bij het Vlaams Agentschap Ondernemen, wonende te 3300 Tienen, Vissenakenstraat 31, geboren op 14 februari 1962;
  3. De heer Jef De Coster, bediende, wonende te 2900 Schoten, Leo Van Hullebuschstraat 17, geboren op 27 oktober 1974;
  4. De heer Geert De Keersmaecker, arbeider, wonende te 2830 Willebroek, Mechelsesteenweg 124, geboren op 3 oktober 1980;
  5. Mevrouw Carine Ongaro, externe preventieadviseur, wonende te 7061 Thieusies, Chemin du chêne Brulé 5, geboren 9 juni 1967, rijksregisternummer 670609 152 57;
  6. Mevrouw Ingrid Daveloose, ambtenaar lokaal bestuur, wonende te 8310 Assebroek,  Hortensiastraat 4, geboren op 5 oktober 1955, rijksregisternummer 55.10.05.-232.67;
  7. De heer  H’Midou Beneich, uitkeringsgerechtigde, wonende te 1030 Schaerbeek, Rue Philomene 108, geboren op 3 januari 1952, rijksregisternummer: 52.01.03-431.93;
  8. De heer Marc Leemans, voorzitter Algemeen Christelijk Vakverbond, wonende te 1785 Merchtem, Leireken 135;
  9. De heer Rudy De Leeuw, voorzitter Algemeen Belgisch Vakverbond, wonende te 9470 Denderleeuw, Hageveld 46;
  10. De heer Mario Coppens, voorzitter Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België, wonende te 9550 Herzele, Sint-Lievenslaan 66;
  11. Algemeen Christelijk Vakverbond, feitelijke vereniging met als postadres  Haachtsesteenweg 579, 1030 Brussel;
  12. Algemeen Belgisch Vakverbond, feitelijke vereniging met als postadres Hoogstraat 42, 1000 Brussel;
  13. Algemene Centrale der Liberale Vakbonden van België, feitelijke vereniging met als postadres Boudewijnlaan 8, 1000 Brussel;

verzoekende partijen, hebbende als raadsman, meester Kristof Salomez, met kantoor te 9052 GENT (Zwijnaarde) aan de Rijvisschestraat 122, alwaar de verzoekende partijen keuze van woonplaats doen,
waarbij een verzoek tot vernietiging werd ingediend tegen:
‘artikel 2 §2 lid 2, §3, en §4, artikel 2bis, artikel 2ter, artikel 2quater van het KB van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van ’s lands concurrentievermogen en zoals bekrachtigd door de Sociale Programmawet van 30 maart 1994, zoals deze artikelen werden ingevoerd door artikel 2 van de wet van 23 april 2015 tot verbetering van de werkgelegenheid’, gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 27 april 2015 (hierna ‘ de wet van 23 april 2015’).

  1. PROCEDURE
    1. Ontvankelijkheid van het verzoekschrift ratione temporis
    2. De bestreden wetsbepalingen werden gepubliceerd in het Belgisch staatsblad van 27 april 2015.

      Het vernietigingsberoep wordt ingediend middels een verzoekschrift dat aan het Hof wordt overgemaakt bij een ter post aangetekende zending met als datum van het postmerk 26 oktober 2015.

      Het verzoekschrift werd bij bericht dd. …. bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

      Overeenkomstig artikel 87 § 2 van de Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989 beschikt elke belanghebbende over een periode van 30 dagen om zijn opmerkingen in een memorie aan het Hof te richten en wordt hierna geacht partij te zijn in het geding.

      Overeenkomstig de postdatum van de memorie is huidige memorie tijdig neergelegd.

      1. Belang van verzoeker (artikel 87 §2 Bijzondere Wet op het Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989).

       De door de bestreden wet ingevoerde indexblokkering en indexsprong, geldt voor de lonen, de wedden, de sociale uitkeringen, de toelagen, de premies en de vergoedingen in alle wettelijke en reglementaire bepalingen, in alle bepalingen van individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten, in alle andere akkoorden tussen werkgever en werknemer en in alle eenzijdige beslissingen  van de werkgever die  een koppeling aan een prijsindex bepalen.

      Het betreft derhalve:

      • de bezoldigingen en de pensioenen van de ambtenaren van het Rijk, van de gemeenschappen en gewesten en van de lokale besturen;
      • de lonen, premies en toelagen waarop de werknemers en zij die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst onder gezag arbeid presteren, recht hebben lastens de werkgever, in de mate waarin een individuele of een collectieve arbeidsovereenkomst, dan wel gelijk welk ander akkoord tussen
      • de werkgever en de werknemers of een eenzijdige beslissing van de werkgever, een koppeling van het loon aan een prijsindex bepaalt;
      • de socialezekerheidsuitkeringen, waarvoor is voorzien in een koppeling aan de schommelingen van de index.

      (artikel 3bis van het KB van 24 december 1993)

      Verzoeker wordt rechtstreeks getroffen door de aangevochten wetsbepalingen, aangezien verzoeker een inkomen verwerft uit één van de drie hierboven opgesomde categorieën. Ingevolge de bestreden bepalingen zullen zij het voordeel van de indexering van hun inkomen immers beperkt zien. Bijgevolg geven zij afdoende blijk van een persoonlijk, rechtstreeks, actueel en geoorloofd belang in de zin van artikel 87 §2 van de wet van 6 januari 1989.

      Verzoeker voldoet dan ook aan de ontvankelijkheidsvereisten gesteld in artikel 87 §2 van de Wet van 6 januari 1989 en wordt als gevolg hiervan partij in het geding gekend onder rolnummer 6274.

      1. MIDDELEN TOT VERNIETIGING

       Eerste middel: schending van artikel 23 van de Grondwet al dan niet in samenlezing met de artikel en 4,6 en 12 van het Herziene Europees Sociaal handvest, artikel 11 van het EVRM, de artikelen 7 en 9 van het IVESCR, artikel 4 van het IAO-verdrag nr. 98 en artikel 28 van het Handvest van de grondrechten van de EU.

       Grondwettelijke bescherming van het recht op een billijke beloning, recht op sociale zekerheid, recht op gezinsbijslagen en recht op collectief onderhandelen.

      De vier hierboven genoemde grondrechten (recht op billijke belang, recht op sociale zekerheid, recht op gezinsbijslagen en recht op collectief onderhandelen) dienen in België gegarandeerd te worden ingevolge de bepalingen opgesomd in de titel van het eerste middel en vaststaande rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Grondwettelijk Hof.

      De Belgische wetgever dient aldus deze vier grondrechten te waarborgen. Hoewel deze waarborg niet als een expliciete resultaatsverbintenis wordt geïnterpreteerd maar wel als een inspanningsverbintenis, dienen de bepalingen van artikel 23 Grondwet hier als leidraad.

      Dit betekent dat de waarborgen op de grondrechten toch positiefrechtelijke grvolgen dienen te hebben.

      In ieder geval blijkt uit vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (GwH 14 oktober 2010, 113/2010, GwH 18 november 2010, nr. 131/2010)  en het Hof van Cassatie (vb. Arrest dd. 18 mei 2015) dat artikel 23 Grondwet het standstill principe hanteert met betrekking tot de economische, sociale en culturele rechten.

      Dit betekent dat het bestaande beschermingsniveau van deze rechten enkel aanzienlijk kan verminderd worden indien er daarvoor redenen van algemeen belang zijn.

      De wet van 23 april 2015 is in strijd met het standstill principe nu zij het bestaande beschermingsniveau duidelijk verminderd, zonder dat er aantoonbare redenen van algemeen belang voorhanden zijn.

      1. Schending van de grondwettelijke bescherming van het recht op een billijke beloning, recht op sociale zekerheid, recht op gezinsbijslagen en recht op collectief onderhandelen.
      • Bestaand beschermingsniveau vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepalingen in de Wet van 23 april 2015.

       In België zijn het niveau van de lonen, de wedden en de sociale zekerheidsuitkeringen steeds vastgesteld nadat er via collectief onderhandelen zowel inspraak is langs de kant van de werknemer en de werkgever (respectievelijk overheid/ambtenaren enz).

      Bij loontrekkenden zijn er bovendien via cao’s ook voorzien in wettelijke minimumvereisten waar elke individuele arbeidsovereenkomst aan dient te voldoen en wordt in deze cao’s ook al dan niet voorzien of lonen gekoppeld worden aan de index of niet.

      Ook het feit of er sprake is van een billijke beloning of niet kan worden gecontroleerd door het Europees comité voor sociale grondrechten, waarbij de interprofessionele arbeidsovereenkomst nr. 43 reeds als een onvoldoende billijke beloning werd beoordeeld.

      Volgens het Belgische systeem dienen er dus eerst afdoende onderhandelingen te zijn tussen de sociale partners alvorens men een wijziging van de reële lonen of uitkeringen kan doorvoeren in casu door een blokkering van de index en/of een indexsprong door te voeren.

      • Een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau

      De Wet van 23 april 2015 heeft voor gevolg dat de sociale uitkeringen, lonen die via cao’s waren gekoppeld aan de index, gezinsbijlagen niet aangepast zullen worden aan de stijging van de levensduurte ten belope van 2 %.

      Dit betekent voor al deze categorieën een duidelijke vermindering van het beschermingsniveau die een aanzienlijk karakter heeft.

      Vooreerst worden de sociale onderhandelingen ten onrechte buiten spel gezet door de invoering van de wet van 23 april 2015.

      Er is immers geen collectief overleg gevoerd in een materie die net tot de essentie van de onderhandelingsbevoegdheid van de sociale partners behoort.

      Bijgevolg wordt door de invoering van de wet van 23 april 2015 het recht op sociale onderhandelingen niet alleen geneutraliseerd of beperkt, maar ook op flagrante wijze geschonden.

      Verder is duidelijk dat de indexsprong en indexblokkering zoals voorzien in de wet van 23 april 2015 het beschermingsniveau van de categorieën die hier voorheen recht op hadden aanzienlijk verminderd:

      • De maatregelen treffen 3,1 miljoen werknemers en 7 miljoen sociaal verzekerden.
      • Een indexsprong over een periode van 3 jaar met bovendien een blijvend effect gedurende de verdere loopbaan op vlak van het bedrag van het loon (elke indexering geeft een extra vermenigvuldiging van 0,98 die er nu wegens de indexsprong niet is) heeft zeer grote, concrete gevolgen voor de inkomsten van een persoon.

      De lijn dient te worden doorgetrokken voor de gezinsbijslagen, dewelke ook gekoppeld zijn aan de index.

      • Gebrek aan rechtvaardiging door een reden van algemeen belang

      Een vermindering van het beschermingsniveau is enkel mogelijk indien de Staat hiervoor een rechtvaardiging geeft en aantoont dat er hiervoor redenen van algemeen belang voorhanden zijn.

      Vooreerst draagt de Belgische staat de bewijslast dat de maatregelen die zij neemt gerechtvaardigd zijn en zijn hiervoor toetsingscriteria voorhanden (zie General comment nr. 19 van het Comité voor economische, sociale en culturele rechten).

      De wet van 23 april 2015 voldoet in geen geval aan deze toetsingscriteria.

      Verder dient er een gebrek aan redenen van algemeen belang vastgesteld te worden  bij de toetsing van de Wet van 23 april 2015.

      Als reden voor de indexblokkering en indexsprong wordt aangegeven dat het noodzakelijk is dat België zijn competitiviteit van zijn ondernemingen dient te verbeteren en zijn loonkostenhandicap ten opzicht van de buurlanden hiervoor wenst weg te werken.

      Loonkostencompetitiviteit kan echter niet gebruikt worden als reden om tot een vermindering van grondrechten te komen. Dit zou immers ervoor zorgen dat sociale dumping en ingrepen in de vermindering  grondrechten tussen (buur)landen zou worden gepromoot waardoor landen op deze manier jun concurrentiepositie ten opzichte van elkaar zouden bekampen.

      Dit is juist wat men met grondrechten en de handhaving ervan dient te voorkomen.

      Voor de rechtvaardiging valt de wetgever terug op twee achterhaalde, niet-actuele en onvolledige rapporten:

      1. Rapport van de experten groep concurrentievermogen en werkgelegenheid

      Dit rapport heeft volgende fundamentele onvolkomenheden:

      • Het onderzoekt maar één aspect van de competitiviteit zijnde loonkosten in vergelijking met productiviteit terwijl er natuurlijk veel meer aspecten zijn die ook dienen onderzocht te worden.
      • Er werden maar 21 van 38 Belgische sektoren in dit onderzoek weerhouden. Onder meer de voor België belangrijke sector transport is niet opgenomen. Dit kan natuurlijk geen correct beeld geven.
      • Het rapport is totaal achterhaald want heeft betrekking op het jaar 2010, terwijl de Wet in 2015 werd opgesteld. Er wordt geen vergelijking gegeven met de actuele situatie (2015) laat staan een visie op de toekomst hetgeen minstens nodig is om een maatregel van dergelijke inpakt als de indexblokkering/sprong te verantwoorden.
      1. Technisch rapport van de centrale raad voor het bedrijfsleven.

      Ten onrechte wordt uit dit rapport een bruto loonkloof van 2,9 % weerhouden van België t.o.v. zijn naaste buurlanden:

      • De loonkloof die in dit rapport wordt weerhouden dateert van 2014 en is dus achterhaald en niet relevant.
      • Er is geen enkele reden om de bruto loonkloof als uitgangspunt te nemen. De vergelijking dient te gebeuren op basis van de netto loonkloof. Ten onrechte worden verschillende mechanismen van loonsubsidies niet in aanmerking genomen, die uiteraard een rechtsreeks effect hebben op de reële loonkloof indien die er al zou zijn.

      Bovendien hebben geen van beiden rapporten betrekking op de situaties bij sociale uitkeringen, gezinsbijslagen en wedden van ambtenaren. Hiervoor wordt dus geen rechtvaardigingsgrond gegeven.

      Beide rapporten zijn ook onvoldoende om een rechtvaardiging te geven voor de aantasting van de garanties van de grondrechten. Niet alleen omdat ze geen inhoudelijke verklaring geven dat ‘het algemeen belang’ gediend wordt. Er zijn immers veel te weinig parameters in beide studies onderzocht (zie boven) om ze enige objectiviteit te geven. Verder zijn ze niet-actueel.

      Er is ook op geen enkele manier naar alternatieven gezocht voor het mechanisme indexsprong/indexblokkering. Dit is een rechtstreeks gevolg van het ontlopen van enig sociaal overleg.

      De wet van 23 april 2015 is aldus strijdig met de bepalingen van artikel 23 van de Grondwet.

      Tweede middel: Schending van de artikelen 10 en 11 in samenhang met artikel 2 van het Handvest van de grondrechten van de EU en met artikel 14 EVRM.

      1. Inbreuk tegen artikel 10 en 11 Grondwet wegens onderscheiden behandeling van diverse vergelijkbare personen die inkomen genereren uit arbeid.

      De Wet van 23 april 2015 is wat betreft de lonen enkel toepasbaar op personen die hun inkomen verkrijgen uit arbeid in ongeschikt verband.

      Er wordt in de memorie van toelichting bij de wet geen enkel motief vermeld waarom de wet geen toepassing vindt op personen die inkomen verwerven uit zelfstandige dienstverlening, een vrij beroep , notarissen, gerechtsdeurwaarder en vennootschapsmandatarissen.

      Nochtans bevinden deze (door de wet uitgesloten categorieën) zich in een vergelijkbare positie ten opzichte van personen die hun inkomen uit arbeid in ongeschikt verband halen.

      Aangezien er geen enkel motief door de wetgever wordt gegeven voor dit onderscheid, schendt de wet van 23 april 2015 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door een ongelijke en discriminerende situatie te creëren.

       

      1. Inbreuk tegen artikel 10 en 11 Grondwet en artikel 14 EVRM wegens toepassing indexsprong/indexblokkering op personen die inkomsten genieten uit arbeid en sociale uitkeringen en niet op inkomsten die gegenereerd worden op andere manieren.

      De Wet van 23 april 2015 oftewel de indexsprong en indexblokkering vindt geen toepassing op inkomsten die voortvloeien uit roerende of onroerende goederen, vermogens.

      Enkel de inkomsten uit arbeid (in ondergeschikt verband) zijn geviseerd.

      Dit maakt een inbreuk uit tegen artikel 10 en 11 van de Grondwet omdat dit een ongelijkheid en discriminatie creëert tussen personen die hun inkomsten enkel uit arbeid kunnen halen en diegenen die ook de mogelijkheid hebben om hun inkomsten uit (on)roerende goederen te halen en/of vermogen.

      De wetgever creëert hier een ongelijkheid al naargelang de vermogenscategorie waarin iemand zich bevindt en benadeeld enkel de categorie van de lagere vermogen. Dienaangaande is er reeds rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens dewelke een onderscheid op basis van vermogen veroordeeld.

      Aangezien ook hier geen motvoering door de wetgever wordt gegeven is ook hier een inbreuk op de artikelen 10,11 Grondwet en ook op artikel 14 EVRM te weerhouden.

      Derde middel: Schending van artikel 6 § 1, VI, vierde lid, 3° van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen (hierna: BWHI), al dan niet in samenlezing met de artikelen 5 § 1,1, IV en 5 § 1, II, 4° a, 87 § 2 en § 3 BWHI, en artikel 127 GW.

      De federale overheid is bevoegd voor ‘het inkomsten en prijsbeleid’ (zie artikel 6 §1, VII, tweede lid, 2 BWHI).

      De wet van 23 april 2015 heeft echter ook betrekking op inkomsten die niet federaal maar wel op niveau van gemeenschappen en gewesten dienen te worden geregeld.

      Als voorbeeld kan verwezen worden naar de wedden van ambtenaren op gemeenschaps-gewestniveau, bezoldiging van onderwijzend personeel, gezinsbijslagen…

      De bevoegdheid verdelende regels van BHWI vereisen dat de maatregelen die worden genomen algemeen zijn, hetgeen dus niet het geval is.

      Verder is er ook niet voldaan aan de vereiste dat de regelgeving dient verband te houden met de vrijwaring van de concurrentiepositie van de Belgische economie en de verwezenlijking van de sociale rechtvaardigheid.

      Of de concurrentiepositie van de Belgische economie wordt verbeterd door het invoeren van de indexsprong/blokkering is onvoldoende onderzocht (zie boven). De studies waarnaar verwezen worden zijn ontoereikend en niet actueel. Verder dient hier ook verwezen te worden naar het feit dat qua inkomsten enkel de inkomsten uit arbeid in ondergeschikt verband geviseerd zijn. Het is maar zeer de vraag of de wet van 23 april 2015 de concurrentiepositie van België zal verbeteren.

      Wat wel zeker is, is dat de Wet van 23 april 2015 een sociale onrechtvaardigheid in het leven roept.

      Veel personen zullen immers wat hun inkomen betreft de indexsprong/blokkering dienen te ondergaan, maar wat hun uitgaven betreft (vb. huur van een onroerend goed) wel de prijs jaarlijks zien verhogen wegens indexering.

      OM DEZE REDENEN,

      BEHAGE HET HET HOF:

      De tussenkomst van …(naam invullen van verzoeker) ontvankelijk te verklaren.

      Dienvolgens verzoeker als partij te laten tussenkomen in huidig geschil.

      De beroepen tot vernietiging van verzoeker ontvankelijk en gegrond te verklaren en de bestreden wetbepalingen te vernietigen.

      Woonplaats,datum (in te vullen!)

      Naam en Voornaam (in te vullen) + HANDTEKENING

      – Origineel (1)

      – Voor eensluidend afschrift (10)

      Bijlagen